In de pen-dent

De opname hier boven heb ik ooit gemaakt met het oude 6×6 toestel dat ik van mijn vader kreeg toen hij zich een kleinbeeld-camera gekocht had.
De vulpen, een gevaarte van bijna vijf meter, was in 1970 opgesteld voor hotel Struvé in Sappemeer vanwege een groot schrijverscongres dat daar gedurende een week gehouden werd.
Helaas was het buitengewoon mistig toen ik de foto nam - en ook is ‘ie per ongeluk een beetje overbelicht - anders was het hotel op de achtergrond waarschijnlijk nog wel zichtbaar geweest. Boven de ingang hing een groot bord waarop stond: “Congres van Onafhankelijke Schrijvers”.
Ik herinner me nog duidelijk hoe het mij indertijd trof dat volgens de krant alle grote schrijvers aanwezig waren (behoudens enkele die wegens ouderdom of ziekte niet konden komen), maar dat Hermans - die mij daardoor ineens de grootste van allen leek; de enige echte Onafhankelijke; de enige die de enorme pen zou kunnen hanteren - hooghartig bedankt had. Mijn ouders hekelden hem erom (”buitengewoon onaangenaam mens, maakt altijd ruzie, heeft overal kritiek op”), wat me echter nog meer voor hem innam…
Samen met twee vriendjes heb ik gezien hoe de pen op een vrachtwagen gebracht werd. Naast de chauffeur zat een man die een belachelijk grote hoed met slappe rand droeg - een flambard, maar dat het ding zo heette wisten we natuurlijk niet -, en die een enorme snor had die uitliep in twee dunne, nerveus trillende punten. Maar voor de zwarte cape met rode voering die hij droeg hadden we (vanwege de overeenkomst die we zagen met Batman en Superman) bewondering; zo’n cape, dà t was wat!
Achter de cabine van de vrachtwagen was een kraan gemonteerd. De chauffeur ging op het stoeltje van de kraan zitten, omringd door knoppen en handels, terwijl de kunstenaar de kabels losmaakte waarmee de pen op de wagen verankerd had gelegen. Even later hing de pen al te wiebelen boven de betonnen plaat met het gat waarin de ronde bus zou moeten komen die tegen de achterkant van de pen-punt gelast was. Met één hand trachtte de kunstenaar de bus precies boven het gat te houden en met de andere maakte hij afgemeten gebaartjes die zoiets beduiden moesten als ‘beetje zakken’, ‘iets naar links’, ‘ietsje terug’ en uiteindelijk ‘zakken maar…’ en: ‘Ho!’
Gedrieën stonden we op een veilig afstandje en met grote belangstelling alles gade te slaan. Af en toe maakte één van m’n vriendjes een opmerking, maar ik ging zo op in het gebeuren dat ik met grote ogen toekeek en niet luisterde.
De ketting van de kraan bleef strak staan; nu werden eerst de drie kabels bevestigd en daarna liet de chauffeur de kraan nog iets zakken, waarbij echter de haak waarin de ketting eindigde niet vanzelf uit het oog wilde glijden…
Nadat nog enkele pogingen om de haak los te doen komen mislukt waren, begonnen de beide mannen te overleggen…
De kunstenaar overhandigde zijn flambard aan de chauffeur (die deze op zijn kruin zette) en hing zijn cape over de zijkant van de vrachtwagenbak. Tot vermaak van mijn kameraden trok hij daarna zijn schoenen uit, en juist toen ik hen eraan wilde herinneren dat Dik Trom bij het mastklimmen op aanraden van ‘mijnheeg’ Denappel ook zijn schoenen had uitgetrokken (”Tgek je schoenen uit Dik, dan heb je meeg ggip”), stroopte hij z’n sokken af en stopte die in de schoenen. - Ik hield m’n mond dus maar.
Als een aap klom de man naar boven; zijn naakte voeten plaatste hij elk aan een kant van de pen om zich daarmee op te drukken, en zijn handen gebruikte hij enkel om te voorkomen dat hij bij het verplaatsen van zijn voeten naar beneden zou zakken. Zo was hij in een wip boven en haakte de ketting los.
“Hou ‘m maar beet!,” riep de chauffeur hem toe.
Met zijn rechterhand hield de man de haak vast en sierlijk draaide de kraan totdat hij boven de bak van de vrachtwagen hing, terwijl de hydraulische arm van de kraan weer terugzonk naar zijn uitgangsstand. De man landde zachter op zijn voeten dan een kopje dat op het schoteltje terug wordt gezet; en één van m’n vriendjes en ik, gedienstig van bewondering, namen elk een schoen op om hem die aan te reiken.
“Dank je wel jongens,” zei de kunstenaar, “en hoe vind je dat ‘t geworden is?”
“Machtig!,” riepen we, en “Enorm!”.
Tevreden sloeg hij zijn cape weer om.
“Waarvan is t’ie gemaakt?,” wilden we weten.
Hij wees: “Die punt is van roestvrij staal, en de clip ook. De rest is van gepolychromeerd polyester en glasvezel. En over een week wordt ‘ie naar de Salon des Indépendants in Parijs gebracht voor een tentoonstelling.”
We knikten wijs en liepen, diep onder de indruk van de gebruikte termen, terug naar het park waar we meestal speelden.
“Als ik groot ben ga ik ook dingen maken,” beweerde ik ineens.
“Wat dan?,” wilden ze weten.
Ik zweeg nog even, zuchtte alsof de problemen van het scheppen mij al op de schouders lagen, en antwoordde: “Dat weet ik nog niet.”